Ik was nog maar net bekomen van NLdoet en de raadsverkiezingen, of er diende zich alweer een volgende verheffende gebeurtenis aan: Opschoondag. Het begint te voelen als een reeks van strak ingeplande, moreel opbouwende momenten. Alsof Pasen en Pinksteren opeens wél op één dag vallen.
West-Friezen maken daar doorgaans geen punt van. Bij ons geldt meestal: het moet gewoon even gebeuren. Dus besloot ik, gewapend met schoffel en hark, mijn eigen tuin maar eens aan te pakken. Op Landelijke Opschoondag voelde dat als een alleszins verdedigbare vorm van inzet. Je moet tenslotte ergens beginnen.
Het blijft een wonderlijk sociaal experiment: nuchtere mensen die zich op zaterdagochtend vrijwillig bukken voor lege energydrinkblikjes en halfvergane patatbakjes. Een soort nationale yoga, maar dan zonder zen — en met een licht verhoogde kans op rugklachten.
Tienduizenden Nederlanders trokken het land in om zwerfafval te lijf te gaan. Het klinkt heroïsch. Alsof we eindelijk een probleem hebben gevonden dat zich wél laat oplossen. Tot je ziet hoe het eraan toegaat: een paar mensen die echt werken en meer dan een handvol die vooral sociaal aanwezig zijn. In West-Friesland zeggen we dan gewoon: ‘goed kenne ouwehoere zónder vieze hande.’
Het prettige van Opschoondag is de overzichtelijkheid. Je ziet rommel, je raapt iets op en de wereld lijkt meteen een fractie beter dan ervoor. Dat geeft even het idee van vooruitgang. Was de rest van het bestaan maar zo eenvoudig. Want buiten mijn achtertuin liggen de problemen een stuk minder makkelijk voor het oprapen. Oorlogen laten zich niet in een vuilniszak stoppen, armoede kan je niet bij het grofvuil zetten en onderdrukking past niet in de papierbak. Soms zou je willen dat er voor dat soort rommel een verdwijnknop bestond.
Misschien is dat wel de grootste aantrekkingskracht van zo’n Opschoondag: even ervaren hoe het voelt als een probleem daadwerkelijk wordt opgelost. Een leeg blikje heeft bestemming vuilniszak, een ingewikkelde werkelijkheid zelden. We zoeken opvallend graag dat gevoel van overzicht — alsof het ons even vrijstelt van alles wat zich niet laat opruimen.
Toch zit er iets ontroerends in die jaarlijkse poging om samen de stoep — en indirect ons geweten — schoon te vegen. Misschien is het minder een oplossing dan een moment van gedeelde geruststelling. Even naast elkaar staan, iets eenvoudigs doen en merken dat de wereld tenminste nog op kleine schaal te ordenen valt.
Aan het einde van de ochtend staan we met koude handen en een warm gevoel naar onze opgefriste straat te kijken. Voor een paar uur is alles netjes. Tot iemand weer gedachteloos een blikje uit het autoraam mikt en de cyclus zich geduldig herhaalt.
Opschoondag is vooral een sussend idee: een dag waarop we kunnen doen alsof zelfs de grote rommel van de wereld op te ruimen is.