Hier in Nederland hebben we een bijzondere relatie met het weer. Niet zozeer omdat het zo mooi is, maar omdat het zo consequent inconsequent is. Normaal gesproken kun je hier op één dag kun je hier alle seizoenen meemaken. Dus stop je je zonnebril, paraplu, sjaal en korte broek samen in één rugzak. Je weet maar nooit.
Maar het begin van het jaar 2026 lijkt zich daar weinig van aan te trekken. Het vriest al een paar nachten achter elkaar en overdag blijft het net koud genoeg om te doen alsof dit “een echte winter” is. Er ligt sneeuw. Kinderen rijden sleetje en gooien sneeuwballen alsof ze dat elk jaar doen, volwassenen klagen over gladheid alsof ze persoonlijk op de hak worden genomen door Koning Winter. Enorme files, treinen die uitvallen. Nederland op z’n best.
Wat me daarbij opvalt: niemand heeft het over de Elfstedentocht. Geen opgewonden “It giet oan!”, geen vage ijsdeskundige die beweert dat het ijs aan het aangroeien is tot een mate van betrouwbaarheid. Het is alsof we collectief hebben afgesproken dat we er niet meer over beginnen, uit angst om voor de zoveelste keer teleurgesteld te worden; zoals bij een alarm dat zo vaak vals afging dat we het maar hebben uitgeschakeld.
En dan het klimaat. Want ja, terwijl ik ’s ochtends autoruiten sta te krabben en mijn vingers langzaam gevoelloos worden, hoor ik op de radio dat de aarde opwarmt. Dat voelt op dat moment niet zo. Buiten niet, althans. Binnen des te meer. “Hier brandt de kachel”, zeg je dan, terwijl je hem stiekem — asociaal — nog een graad hoger zet. Lokaal merk je weinig van de opwarming van de aarde. Mondiaal breken we records alsof het een sport is waarvoor niemand zich heeft ingeschreven.
Op klimaattoppen worden stevige afspraken gemaakt. Er wordt ernstig gekeken, bezorgd geknikt, betekenisvol gezucht en soms zelfs gehuild. Ik zie dat ’s avonds terug op het journaal, met een bord eten op schoot en de thermostaat comfortabel op 21. De passie spat ervan af. Tot iedereen weer thuis is en de moed om maatregelen te nemen verdwijnt als sneeuw voor de zon — wat ironisch genoeg ook steeds sneller lijkt te gebeuren. Bijna geen land houdt zich aan de afgesproken maatregelen. Maar hé, het is ook lastig: opkomende economieën, verkiezingen, grote landen die niet meedoen en het feit dat verandering nou eenmaal vooral voor een ander geldt.
Wetenschappers waarschuwen voor rampscenario’s. Anderen noemen dat overdreven. En weer anderen zeggen dat het hele klimaatprobleem is verzonnen om ons extra geld uit de zak te kloppen. Die laatste groep vertrouwt de wetenschap ongeveer evenveel als een spam-mail die beweert dat je een vermogende Nigeriaanse prins bent.
Ik ben oud genoeg om me de eerste klimaatrapporten te herinneren, jong genoeg om te weten dat ik het eindrapport waarschijnlijk niet meer ga lezen. Een mensenleven is te kort om te weten wie er uiteindelijk gelijk had. Ik sluit er dus ook geen weddenschappen op af. Bovendien: als de mens ergens goed in is, dan is het in oplossingen bedenken op het allerlaatste moment. We bouwen bruggen waar rivieren zijn, dijken als het water stijgt en ontwikkelen apps voor problemen die we eerst zorgvuldig hebben gecreëerd, om ze daarna efficiënt te lijf te kunnen gaan.
We kunnen de klimaattoekomst tot in detail voorspellen met modellen en grafieken. En toch zullen we pas echt in actie komen als het probleem niet meer “over dertig jaar” is, maar als we het in de bek kunnen kijken en het misschien al te laat is. Alsof we allemaal op een schip zitten dat richting een klif vaart. De kapitein waarschuwt, de kaarten liegen niet, maar zolang het diner warm is en het dessert nog moet komen, bestellen we rustig nog een kop koffie.
Misschien is dat geen domheid, maar menselijkheid. We zijn ontworpen voor het hier en nu. Voor wat we kunnen zien, voelen en aanraken. Smeltende ijskappen zijn ver weg; een koude winterochtend met sneeuwoverlast is hier. En dus discussiëren we eindeloos, stellen we uit en hopen we dat het allemaal wel meevalt met die klimaatverandering. Totdat het ineens niet meer meevalt. Dan worden we overvallen en zeggen we in opperste verbazing: “Dit had niemand kunnen voorzien”. Terwijl het eigenlijk al die tijd op de weersverwachting stond.